Programma


printer

Ethische principes


De BVAS zet zich zoals altijd verder in voor hetgeen zij sinds haar ontstaan rechtlijnig heeft verdedigd, zijnde:

Vrije keuze van arts door de patiënt
De patiënt moet zich kunnen richten tot de arts van zijn keuze. De kwaliteit van de geleverde zorg is het enige criterium waardoor de arts zich onmisbaar maakt.
Het ideale zorgtraject moet continu worden bevorderd.
Een georganiseerd overleg tussen huisarts en specialist waarbij de taken in onderling akkoord worden afgelijnd in functie van de noden van de patiënt verrechtvaardigt een gepast honorarium.
Het is uitgesloten dat de situatie van de patiënt het voorwerp uitmaakt van een statuut dat de goedkeuring door een geneesheer-adviseur vereist.

2° De geneesheer moet in alle vrijheid zijn therapeutische en diagnostische middelen kunnen kiezen. Dit betekent dat zijn keuzes gemaakt worden rekening houdende met de goede praktijkvoering en in functie van de persoonlijke karakteristieken van de patiënt. Economische criteria hebben geen uitstaans met goede praktijkvoering.

3° Om het vertrouwen van de patiënt te blijven genieten moet het medisch beroepsgeheim gevrijwaard blijven.
De gegevensuitwisseling tussen artsen onderling en tussen artsen en andere verstrekkers van gezondheidszorgen is onmisbaar. Het verzamelen van die gegevens is nodig voor de kwaliteit van de zorgen en voor het beheer van de sociale zekerheid.

4° De geneesheer organiseert vrijelijk het werk van zijn praktijk zowel in zijn eigen kabinet als in het ziekenhuis. Zijn medische beslissingen kunnen dus niet onder het gezag van een beheerder worden geplaatst.
De geneesheer moet ook meester blijven over zijn tijdsgebruik. Hij wendt die in de eerste plaats aan om naar zijn patiënten te luisteren veeleer dan om administratieve formaliteiten te vervullen.

5° De kwaliteit van de verstrekte
zorg
is essentieel voor het winnen van het vertrouwen van de patiënt, van het publiek en van diegenen die het systeem financieren.
Het is zeer belangrijk dat de artsen beschikken over een eigen systeem van kwaliteitspromotie.
Kwaliteit kan niet opgelegd worden door normen en dwangmaatregelen. HEt opleggen van sancties leidt tot ontwijkingsgedrag.
Kwaliteit moet gebaseerd zijn op dynamisme van het medisch korps.

Het weigeren van rantsoenering
Meer en meer leidt de wil van de Overheid tot het beheersen van de uitgaven tot een rantsoenering van de zorg. Gezondheid wordt gemeten louter in termen van uitgaven. Verschillende middelen ter rantsoenering worden gebruikt: programmatie van zware apparatuur of diensten, het voorbehouden van technische akten, economische criteria inzake terugbetaling.
De Overheid en de mutualiteiten trachten de redenen van de invoering van deze maatregelen te verdoezelen door ze te omschrijven alsof ze te maken hebben met de kwaliteit, of door de artsen van verspilling te beschuldigen of zelfs van winstbejag.
Naar de publieke opinie of naar de patiënten toe trachten ze de verantwoordelijkheid voor de uitgaven in de schoenen te schuiven van de voorschrijvers.
Deze houding dient met klem te worden afgewezen en de artsen moeten optreden als de verdedigers van de patiënten.
Gezondheid is ook een investering.
Het is een sector die voor banen zorgt: ongeveer 10 % van de arbeidsmarkt van het land bestaat uit jobs in de zorgsector en tweederden van de uitgaven in de sector vloeien terug onder de vorm van bijdragen en belastingen.
Het is een sector die nieuwe technologieën genereert, nieuwe geneesmiddelen creëert en die gekenmerkt wordt door creativiteit. Het is een sector die weinig energie en grondstoffen nodig heeft, tenzij onze grijze hersenstof. Als deze sector al kosten veroorzaakt in de sociale zekerheid dan brengt hij terug op voor de Staat door een positieve commerciële balans.
Tenslotte betekent de gezondheid van de werknemers op zich een rijkdom voor de economie. Als illustratie kan worden verwezen naar Nederland waar de werkgevers hadden voorgesteld om hun werknemers voorrang te geven op de wachtlijsten. De redenering was eenvoudig: hoe sneller terug fit, hoe sneller terug aan het werk.

De BVAS is van oordeel dat de publieke opinie hiervan moet overtuigd worden zodat de financiers van het systeem met de nodige middelen over de brug komen om de zorg te verlenen die overeenstemt met de noden en zonder rantsoenering.

lees verder over Ethische principes

printer

Honoraria (per prestatie - forfait - salariaat - zelfstandigenstatuut)


1°  Forfaits
De forfaits brengen geen besparingen op behalve tenzij men ze als rantsoenering gebruikt zoals ons het voorbeeld van de Angelsaksische landen aantoont.
De betaling per prestatie garandeert dat de arts ten dienste staat van de patiënt en niet ten dienste van de Staat. Bovendien biedt zij ook de garantie dat de arts betaald wordt voor de zorg die hij verstrekt en niet voor de zorg die hij zijn patiënt ontzegt.
Het statuut van zelfstandige garandeert ook zijn autonomie. Indien dit statuut zou in vraag gesteld worden, dan is het duidelijk dat het enige aanvaardbare alternatief het statuut van gesalarieerde zou zijn dat aan de arts een inkomen en zekerheid garandeert waarvan hij momenteel niet kan genieten.
Dit statuut is momenteel niet betaalbaar binnen het budgettaire kader.
De BVAS blijft zich verzetten tegen elke verdere forfaitarisering en kan als alternatief voor de betaling per verstrekking slechts het (onbetaalbare) salariaat aanvaarden.

2°   Honorariumsupplementen
Meer en meer worden de honoraria vastgesteld in functie van de financiële capaciteit van een te krap budget. In feite gaat het om sociale tarieven die binnen een akkoord zijn afgesproken met de bedoeling de minst bedeelden toegang te verschaffen tot de zorg.
Binnen dit kader beantwoorden zij niet meer aan de reële prijs van de geleverde prestatie.
Behalve voor de patiënten met een gering inkomen is het daarom nodig dat de artsen honoraria kunnen vragen die overeenkomen met de echte waarde van de verstrekte prestatie door rekening te houden met de bekwaamheid, verantwoordelijkheid, beschikbaarheid en werkdruk.
De BVAS zal zich blijven verzetten tegen elke poging tot het verbieden van honorariumsupplementen, wat niet betekent dat excessen zouden goedgekeurd worden.

3°  Afhoudingen op de honoraria van de ziekenhuisartsen
Over het verloop der jaren is de onderfinanciering van de ziekenhuizen continu blijven verergeren. Het komt de Regering goed uit dat de ziekenhuizen hun tekorten verhalen bij de artsen door de afhoudingen op hun honoraria steeds maar te verhogen.
Deze toestand is onaanvaardbaar en de BVAS engageert zich om er een prioritair punt in zijn
eisenpakket van te maken.

4°  Intellectuele prestaties
Binnen het akkoord artsen-ziekenfondsen, wenst de BVAS trouw te blijven aan zijn politiek van herwaardering van de intellectuele prestaties zowel van huisartsen als specialisten.
De intellectuele prestaties kennen niet dezelfde trend als de technische prestaties en de verdere opwaardering van de intellectuele acten is dus meer dan gerechtvaardigd.
De indexering van de technische prestaties mag nochtans niet worden verwaarloosd, want hun kostprijs stijgt zeer snel ten gevolge van de prijs van de technologie en de stijgende personeelsuitgaven voor de technici.

5°   Vergoeding van de stagiaires in de huisartsgeneeskunde
Momenteel valt de stagiair ten laste van zijn stagemeester.
De stagemeester kan zijn aantal patiëntencontacten niet vermenigvuldigen. Hij dient zijn activiteiten dus te delen met zijn stagiair.
Aangezien hij vergoed wordt voor zijn activiteit als stagemeester verwacht de Overheid in ruil een onberispelijke bekwaamheid, een perfecte continue navorming en een supervisie van de activiteit van zijn stagiair waarvoor hij de verantwoordelijkheid dient op te nemen ten aanzien van zijn patiënten. Hij moet ook zijn onderwijstaak op zich nemen en de administratieve taken vervullen die samengaan met het stagemeesterschap.
Door een derde persoon in te schakelen in de relatie met zijn patiënten loopt de stagemeester ook een risico. Zijn patiëntenbestand is zijn enige kapitaal dat hij op deze wijze hypothekeert.

De BVAS verdedigt het idee om de stagiair rechtstreeks door het RIZIV te laten financieren. De kostenvergoeding zou integraal ten goede moeten komen van de stagemeester. Dit idee stemt trouwens overeen met de Europese richtlijn ter zake.

6°   Impulsfonds
De Regering reserveert 5.000.000 € van zijn budget voor de ondersteuning van de huisartsgeneeskunde via het dragen van de kosten voor de installatie van jonge huisartsen en ter financiering van groepspraktijken of andere samenwerkingsvormen.
De BVAS verzet er zich krachtdadig tegen dat dit budget eens te meer zou dienen voor de financiering van de wijkgezondheidscentra (of medische huizen) die al genieten van ruime forfaits en van meer dan genereuze financieringen vanwege de gemeenschappen.

De BVAS verzet zich tegen elke vorm van financiering die samengaat met het opleggen van normen of het onder voogdij plaatsen van de huisartsgeneeskunde door om het even welke overheidsinstantie of beheerder.
De BVAS is daarentegen voorstander van het instellen van een lening op eer door de banken vrij van intrest of met een zeer beperkte intrest. Dit hoeft slechts een garantie aan de overheid te kosten en zal slechts een klein deeltje van het impulsfonds opslorpen.
De samenwerking onder huisartsen moet worden bevorderd. De modaliteiten moeten verder worden uitgewerkt maar ze mogen niet dwingend zijn en ook niet gepaard gaan met zware administratieve lasten.
De vestiging in bepaalde door artsen verlaten gebieden (landelijke of afgelegen regio’s, achtergestelde buurten van stedelijke gebieden) kan worden aangemoedigd door het toekennen van belastingvoordelen of door hulp bij de installatie.
De BVAS heeft via zijn 5 afdelingen een dossier ingediend bij het Participatiefonds ter erkenning van een steunpunt zodanig dat wij de huisartsen met raad en daad kunnen bijstaan bij de start van de praktijk. Dit dossier dient nog verder gefinaliseerd te worden maar de uitwerking van de formaliteiten mag geen administratieve belasting veroorzaken.

printer

De regeling derdebetalende

Voor gehospitaliseerde patiënten is de derdebetalersregeling verplicht. Hier wordt niet meer op teruggekomen.
Sinds 1986 is de derdebetalersregeling verboden voor raadplegingen en huisbezoeken, tenzij voor enkele uitzonderingen.
Voor technische verstrekkingen is ze toegelaten, maar per plaats van verstrekking is het een alles of niets formule.
Door toedoen van de BVAS is de derdebetalersregeling ook toegestaan voor technische verstrekkingen door niet verbonden artsen op voorwaarde dat voor de verstrekkingen die in derdebetalersregeling worden gefactureerd de tarieven van het akkoord worden gerespecteerd.
Eveneens dankzij de tussenkomst van de BVAS stelt het akkoord dat de derdebetalersregeling toegelaten is tijdens de door de wet voorziene wachtdiensten door huisartsen.
De BVAS heeft nooit de derdebetalersregeling willen promoten omdat deze tezelfdertijd zowel een oorzaak is van inflatie van medische prestaties als een afhankelijkheid van de geldschieters inhoudt, met andere woorden van de mutualiteiten. Voor patiënten met een bescheiden inkomen is de derdebetalersregeling wel een garantie voor toegang tot de zorg.
In de filosofie van de BVAS dient de derdebetalersregeling gereserveerd te worden voor deze patiënten en het is aan de arts om hierover te oordelen.
Sommige mutualiteiten hebben aan hun leden ROVT (Rechthebbenden op Verhoogde Tegemoetkoming, de vroegere WIGW’s : Weduwen, Invaliden, Gepensioneerden en Wezen) meegedeeld dat ze recht hebben op de derdebetalersregeling. In feite is dit niet waar, want deze patiënten vormen slechts een mogelijke uitzondering op het verbod tot gebruik van de derdebetalersregeling.
De regeling van derdebetalende voorziet eveneens sancties bij laattijdige tarificatie of wat als laattijdig wordt beschouwd door de Mutualiteiten en de Geneeskundige Controle (zijnde twee maanden). Deze regeling is niet aanvaardbaar want het is voor huisartsen quasi onmogelijk om binnen de gestelde termijn de administratie van de derdebetalersregeling in orde te krijgen ondermeer omdat de huisartsen niet over een afleessysteem voor de SIS kaart beschikken en met kleefvignetjes moeten werken. De patiënten durven wel eens slordig zijn met het meebrengen van dergelijke kleefbriefjes.
Voor de BVAS dient deze termijn verlengd te worden, en de boeten mogen niet buitensporig zijn. De derdebetalersregeling is een dienstverlening aan sommige patiënten en berust op vrijwillige basis. Het is geenszins een patiëntenrecht.

printer

Het remgeld

Het remgeld valt niet onder de bevoegdheid van de Nationale Commissie Geneesheren-Ziekenfondsen maar van de Regering. De Medico-Mut kan echter wel invloed uitoefenen op de beslissingen.
Toen de Regering ten tijde van Minister Moureaux besloot een besparing van 7 miljard BEF op te leggen is de BVAS er in geslaagd die beslissing te beïnvloeden. In plaats van een honorariavermindering door te voeren werd deze besparing gerealiseerd via het remgeld, maar mits het invoeren van een franchise om de kosten te beperken voor zware behandelingen in gezinnen met een bescheiden inkomen.
Bij het invoeren van bepaalde honorariaverhogingen heeft de Regering met de toestemming van de Medico-Mut het remgeld verhoogd (zoals in 1988 ten tijde van Minister Busquin).
Het Kartel GBO – ASGB heeft zich steeds tegen deze manier van handelen verzet omdat het van oordeel is dat men als gevolg van de verhoging van het remgeld minder beroep zou doen op de huisarts.
We zien dat het aantal raadplegingen blijft stijgen en dat het aantal huisbezoeken daalt. Er liggen vermoedelijk andere oorzaken aan de basis hiervan. De cultuur van het huisbezoek – een Belgische exclusiviteit binnen Europa – neemt af in belang.
Los van deze vaststelling is de BVAS van oordeel dat, bij een gelijkblijvend budget, het beter is hogere honoraria na te streven, zelfs met het risico van een hoog remgeld, dan het omgekeerde. Zelfs wanneer het aantal verstrekkingen hierdoor zou verminderen, verhogen de inkomsten van de arts, terwijl de werkdruk afneemt of een hogere kwaliteit van zorg kan worden geleverd omdat er meer tijd kan worden geïnvesteerd in de raadpleging.

printer

De sociale zekerheid van de arts

Tot op heden is het sociaal statuut altijd gebonden geweest aan het akkoord. De sociale zekerheid van de arts is ruimer dan het sociaal statuut.
Het is vanzelfsprekend dat de artsen die toetreden tot het akkoord recht hebben op een sociaal statuut. Dit mag nochtans niet uitmonden in een situatie waar de hoegrootheid van het bedrag van het sociaal statuut het onmogelijk maakt om nog het akkoord op te zeggen.
Dit aan het akkoord gebonden sociaal statuut kan niet van jaar tot jaar blijven stijgen zoals het nu het geval is.
Voor de BVAS kan er slechts één sociaal statuut bestaan dat gebonden is aan het akkoord. Met name aan een akkoord dat slechts slaat op een arbeidstijd van 38u per week zoals dit van toepassing is voor alle werkenden van het land.
Buiten dit aan het akkoord gebonden sociaal statuut, dient er een sociaal statuut uitgewerkt te worden voor alle artsen dat een aanvulling vormt op het pensioen van de zelfstandige en dat een gewaarborgd inkomen biedt in geval van ziekte of ongeval.
Het is onaanvaardbaar dat een arts in de ellende terechtkomt omdat hij in een situatie is beland waarin hij gedurende min of meer lange tijd werkonbekwaam is terwijl hij de vaste kosten van zijn praktijk verder moet blijven betalen.
Artsen hebben een korte en zware carrière, en worden ook nog zwaar belast omdat wat zij verdienen gedurende hun ganse carrière geconcentreerd wordt binnen een periode van 30 à 35 jaar in plaats van gespreid over 45 jaar zoals voor andere beroepsactieven.

printer

De werkduur


Artsen worden gerekend onder de beroepsgroepen die zwaar werk verrichten en lange uren presteren. Gedurende hun universitaire opleiding, hun stagejaren, hun specifieke vorming tot huisarts of tot specialist kende hun werktijd nooit beperkingen.
Dergelijke slavenarbeid is niet meer van deze tijd, zelfs al beweren sommigen dat men op die manier snel en veel deskundigheid kan verwerven. Die handelswijze is des te meer onaanvaardbaar omdat deze arbeid nauwelijks wordt gehonoreerd.
Artsen worden geacht een veel langere werktijd te hebben dan de meeste werknemers.
Sinds hun ontstaan voorzagen de akkoorden dat artsen hun consultatie dienden te houden op tijdstippen die passen voor de patiënten, met andere woorden buiten de normale kantooruren.
Een deel van de weekends wordt opgeofferd voor de wachtdiensten. Weinig artsen kunnen zich veroorloven hun beroep stop te zetten op 65 jaar, leeftijd waarop zij royaal kunnen genieten van maximaal 40/45sten van hun pensioen als zelfstandige, terwijl de rest van de werkende bevolking gemiddeld ophoudt met werken op 58 jaar en verontwaardigd protesteert indien men vraagt om langer te presteren.
Een Europese richtlijn beperkt de werkduur. Zij heeft slechts betrekking op de werknemers en op de geneesheren in opleiding maar de richtlijn zet wel de trend.
De maatschappij bekommert zich weinig om haar geneesheren maar ze beseft wel dat extreme vermoeidheid de reflexen vertraagt en de handelingen minder zeker maakt en dat dit bijgevolg gevaarlijk kan worden voor de patiënt. Trouwens niet alleen voor de patiënt maar ook voor de arts zelf.
Nochtans moet het duidelijk zijn dat een zelfstandige zijn werk moet kunnen organiseren zoals hij het zelf wenst, zonder beperkingen die tegen zijn wil ingaan.

De BVAS formuleert bijgevolg onderstaande voorstellen:
1° De volgende situaties kunnen zich voordoen:
a)
  statuut van zelfstandige : dit komt het meest voor.
Het heeft betrekking op
* alle huisartsen,
* alle stagiairs in huisartsgeneeskunde,
* het grootste deel van de ziekenhuisartsen,
* alle extramurale artsen.
b)   statuut van loontrekkende: zeer beperkt in België
- de Franstalige ziekenhuizen van de socialistische mutualiteiten hebben dit systeem verlaten omwille van de hoge kostprijs;
- alleen de universitaire ziekenhuizen maken er gebruik van, maar de salarissen worden gegenereerd vanuit de honoraria die voor de uitgevoerde verstrekkingen aan het RIZIV worden gefactureerd
c)   sui generis statuut: dit heeft betrekking op de geneesheren-specialisten in opleiding. Het betreft een statuut van loontrekkende maar zij genieten niet van alle sociale voorzieningen.
De BVAS steunt het statuut van zelfstandige dat de grootst mogelijke autonomie voor de artsen toelaat.
Op de werkduur bestaat er voor hen geen beperkingen, maar een werktijd die langer is dan die van de rest van de bevolking kan niet worden afgedwongen. Alles wat de normale arbeidstijd te boven gaat of buiten de normale werkuren valt moet navenant gehonoreerd worden.
Het statuut van loontrekkende kan een alternatief zijn op voorwaarde dat de artsen genieten van een barema dat in overeenstemming is met hun bekwaamheden van 10-13 jarige opleiding en dat rekening houdt met hun verantwoordelijkheid, met de moeilijkheidsgraad van hun werk, met de beschikbaarheid die vereist is buiten de normale werkuren, met de continue navorming en met de administratieve belasting.
Wat betreft de geneesheren in opleiding moeten zij een volwaardig sociaal statuut verkrijgen, alhoewel dit zonder voorwerp wordt wanneer ze nadien zelfstandigen worden.


2°  Onafhankelijk van zijn statuut dient de arts verhoogde honoraria te ontvangen in alle omstandigheden waarin hij prestaties uitvoert buiten de normale werkuren, uiteraard wanneer hij die verstrekkingen verricht naast zijn normale werkweek.
Normale werkuren zijn die tussen 08 en 17 uur waarbij de lunchtijd in mindering wordt gebracht.

3°   De artsen beschikken alleen over de wettelijke feestdagen en niet over sommige verlofdagen zoals die van toepassing zijn in sommige administraties. Elk jaar vallen er een aantal van die feestdagen samen met een zondag.
Zo vallen in 2006 1 januari en 11 november tijdens een weekend. De bevolking heeft recht op een recuperatiedag, de artsen niet. Bovendien geven de wachtdiensten geen recht op recuperatie tenzij in het bediendestatuut of in het sui generis statuut van de assistenten in opleiding.
Ter compensatie van de feestdagen die in een weekend vallen en van de dagen die men van wacht is en die niet kunnen worden gerecupereerd tijdens de werkweek, stelt de BVAS de invoering voor van 3 bijkomende feestdagen.
Deze operatie kost niets. Uiteraard heeft dit voorstel tot gevolg dat er tijdens de bijkomende verlofdagen een wachtdienst moet worden ingesteld en dat er wachthonoraria zullen worden aangerekend, maar die meeruitgaven zullen worden gecompenseerd door een lager activiteiten volume zoals men vaststelt tijdens rustdagen.

printer

De huisartsenwacht

Sommige huisartsenwachtdiensten worden geconfronteerd met een tekort aan artsen of veeleer met een tekort aan werkwilligen die willen deelnemen aan de wachtdiensten. De redenen kunnen van alle aard zijn: onveiligheid, een overdreven werklast, tekort aan artsen in sommige landelijke streken, in delen van de stad waar het gevaarlijk is, in steden met een grote densiteit aan ziekenhuizen.
De wachtdiensten zorgen inderdaad voor veiligheidsproblemen. In sommige dichtbevolkte regio’s werd een uniek oproepnummer geïnstalleerd. Het verhoogt de veiligheid van de arts omdat de arts van wacht anoniem blijft. De patiënt weet niet of hij zal te maken krijgen met een frêle vrouw of met een stevig gebouwde man. Het unieke nummer laat ook toe dat de oproepen geregistreerd worden en dat bijgevolg bepaalde ongegronde patiëntenklachten kunnen worden geneutraliseerd. Er kunnen zonder problemen wijzigingen van wachtartsen worden doorgevoerd en er is een zekere geografische marge in de behandeling van de oproepen.


Om de positie van de BVAS te verduidelijken is het nuttig een aantal bemerkingen te formuleren:



  De oplossingen moeten beantwoorden aan de locale toestand en die kan onderling zeer sterk verschillen, afhankelijk van de regio, de artsendichtheid van het grondgebied, de demografie, bepaalde gevoeligheden en van de manier waarop de problemen in de voorgeschiedenis werden aangepakt.
Het is dus van groot belang om zoveel mogelijk ruimte te geven aan locale initiatieven.
Dankzij de steun van de BVAS werd aan de huisartsenkringen de organisatie van de wachtdiensten toevertrouwd. Wij willen ze hierbij steunen.



  De patiënt moet zijn vrije keuze behouden: huisarts, ambulance of spoedgevallendienst van de ziekenhuizen. Maar hij dient beter geïnformeerd te worden zodanig dat zijn keuze aangepast en realistisch is.



  In de verschillende experimenten die worden uitgewerkt moet er steeds een delicaat evenwicht gezocht worden tussen een volledige professionalisering met artsen die exclusief willen ingeschakeld worden in de organisatie van de wachtdiensten en artsen die naast hun gewone praktijk op vrijwillige basis wachtdiensten willen vervullen.



  De wachtdiensten in de ziekenhuizen worden soms overrompeld met banaliteiten die de echte urgenties in de weg staan. Het invoeren van een ontradend tarief kan de toegankelijkheid schaden. Er kan overwogen worden om een huisarts aan de poort van de spoeddienst, ofwel volgens beurtrol aangeduid door zijn kring, ofwel met een vaste kracht, de triage te laten maken. Dit zou de samenwerking tussen huis- en ziekenhuisartsen kunnen verdiepen.

printer

De medische aansprakelijkheid

De schadevergoedingen die het gevolg zijn van een medische activiteit vertonen een stijgende trend zonder dat er blijkbaar meer schadegevallen zijn.
Enerzijds aanvaardt het publiek het fatum niet meer, anderzijds leidt het gebruik van steeds krachtigere middelen tot meer ongevallen.
Hierdoor ontstaan er meer processen, verhogen de premies en ontstaat er een probleem van verzekerbaarheid voor al diegenen die een – zelfs miniem - schadegeval opliepen.
Behalve de druk die wij uitoefenen op de verzekeringsmaatschappijen en op de politiek binnen het kader van het huidige systeem, en naast de raadgevingen die de BVAS kan geven bij de gerechtelijke procedures, zien wij twee mogelijke oriëntaties.
De eerste piste bestaat in de oprichting van een fonds voor therapeutische risico’s. De patiënten die schade lijden ten gevolge van een medische handeling zouden vergoed worden zonder dat hiervoor een medische fout of vergissing moet aangetoond worden. Dit stelsel zou het systeem uitsluiten dat gebaseerd is op de medische fout. Maar het samen bestaan van beide systemen zoals bij de arbeidsongevallen moet worden uitgesloten. De patiënt behoudt de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Orde der geneesheren of hij kan ook strafrechterlijk optreden maar zonder mogelijkheid van schadevergoeding, tenzij de symbolische euro.
Dit stelsel mag niet tot hogere premies leiden dan de momenteel gangbare. Een aanvulling voor het fonds zou moeten komen ofwel van de belastingen, van een bijkomende sociale bijdrage of van een bedrag dat wordt aangerekend aan de patiënt.
De tweede piste sluit de eerste niet uit. Zij heeft te maken met risicobeheer en vertrekt vanuit de vaststelling dat het risico multifactorieel wordt bepaald en zelden gebonden aan één enkele persoon. Vooraleer een ongeval zich voordoet kon het misschien al 20 of 50 maal worden vermeden in analoge omstandigheden die aanleiding gaven tot hetzelfde risico.
Deze vaststelling leidt tot het begrip van risicobeheer en van vrijwillige aangifte van alle omstandigheden waar er sprake is van een “bijna ongeluk”. Deze aangifte vereist een mentaliteitswijziging, het verlaten van het repressieve of autoritaire klimaat en een garantie dat alle feiten in vertrouwen worden geanalyseerd, met als enig doel de oorzaken van “bijna ongevallen” op te sporen en de preventieve maatregelen te nemen die zich opdringen

printer

Numerus clausus

In de jaren 80-90 is er een medisch overaanbod ontstaan. Volgens studies over die periode van Prof. Denise Deliège van de School voor Maatschappelijke Gezondheidszorg van de UCL verlieten 15 à 20 % van de jonge artsen het beroep.
De profielen en de activiteitsdrempel die in de accreditering werd ingevoerd, hebben aangetoond dat er een belangrijk tekort aan werkgelegenheid was voor de artsen.
Recentere enquêtes (RIZIV – FOD Volksgezondheid – Prof. Alain De Wever ULB) wierpen enig licht op het fenomeen zonder echter een duidelijk antwoord te geven op de vraag of het tekort aan werk in het kader van het RIZIV een situatie was die de arts onderging dan wel of hij hier zelf had voor gekozen.
Het valt niet te ontkennen dat het aantal Belgische artsen ver boven het gemiddeld Europees aantal artsen uitsteekt.
De regeling van het aantal artsen dat toegang heeft tot het beroep werd als meer dan noodzakelijk aangevoeld en dit moet ook zo blijven. Nochtans dienen er een aantal correcties te worden aangebracht.
1°   Er dient over gewaakt dat er geen tekorten ontstaan in sommige disciplines.
2°   De regeling van de toegang tot het beroep veroorzaakt moeilijkheden bij de selectie voor de toegang tot de studie. Het is immers moeilijk om het aantal gediplomeerden van de eerste jaren aan te passen aan het aantal dat in het systeem zal worden toegelaten.
3°   De regeling mag het parcours van de studenten niet in de war sturen en geen vergiftigde atmosfeer creëren tijdens hun 7 jaar studie.
Een regeling moet zo vlug als mogelijk bij de aanvang van de studies ingevoerd worden en eenmaal dat de studenten aanvaard zijn moeten zij zekerheid hebben dat ze toegang zullen krijgen tot het beroep binnen het kader van de Sociale Zekerheid of tot andere toekomstmogelijkheden binnen het beroep.
4°   De regeling mag niet omzeild worden door toegang te verlenen tot de sociale zekerheid aan gediplomeerden die niet zijn opgenomen in de quota, zoals de artsen 000 en die zouden worden ingezet worden als hulpjes .
5°   De regeling mag evenmin worden omzeild door beroep te doen op buitenlandse geneesheren, zelfs van buiten de EU, om ondergeschikte functies te bekleden.

printer

De administratieve vereenvoudiging

Onder het voorwendsel de uitgaven onder controle te houden, betalen Overheid en Mutualiteiten geneesmiddelen - waarvan zeer veel nieuwe -, kinesitherapeutische zorg en sociale voordelen nog slechts terug onder bepaalde voorwaarden.
Een overvloed aan vragenlijsten en papieren die moeten ingevuld worden vloeien hier uit voort, waarvan elk punt en komma conform moet zijn, als men al niet verplicht wordt de aanvraag op een officieel document te doen.
De voorwaarden van terugbetaling worden uitgewerkt in functie van de budgetten die de verantwoordelijken hieraan willen besteden. Natuurlijk proberen zij zo goed en zo kwaad als mogelijk om de economische criteria te doen kloppen met de criteria van goede praktijk.
Nochtans is men nog veraf. Voor de geneesmiddelen worden de criteria uitgewerkt door de TGR waar de voorschrijvers een beperkte vertegenwoordiging hebben. De mutualiteiten zijn in de meerderheid. Indien de Commissie geen advies formuleert (dat 2/3 van de stemmen moet vertegenwoordigen) beslist de minister. Bovendien is de minister niet gehouden door het advies van de Commissie. Met andere woorden, het is de minister zelf die bepaalt wat goede praktijk is.

De wet stelt dat de behandelende geneesheer de terugbetaling toelaat van een behandeling. Hij verklaart immers dat de patiënt zich in de voorwaarden bevindt om de terugbetaling te verkrijgen. Op die manier wordt hij met een verantwoordelijkheid opgezadeld die niet de zijne is. Er is een verwarring van rollen. Om te verkrijgen wat hij nodig heeft, dient de behandelende geneesheer de rol op te nemen van advocaat voor zijn patiënten. Als er een rantsoenering wordt opgelegd is het aan de geneesheer-adviseur van de mutualiteit om er de verantwoordelijkheid voor op te nemen.
Dit systeem van controle a posteriori verplicht de geneesheer om defensieve dossiers aan te leggen die geen werktuigen meer zijn om goede geneeskunde te beoefenen ten voordele van de patiënt, maar die dienen om zich te wapenen tegen eventuele controle.
De a priori controle dient te worden gebruikt voor dure behandelingen die niet frequent voorkomen.
De voorschriften van de andere geneesmiddelen moeten worden vrij gemaakt. Zij moeten overeenstemmen met de goede medische praktijk en met de karakteristieken eigen aan de patiënt.
Deze goede praktijk dient gedefinieerd te worden door het beroep, eventueel in de schoot van een Commissie waar de Mutualiteiten niets mee te maken hebben.
De voorschrijvers moeten hun voorschriftprofielen regelmatig ontvangen. Zij moeten zich enkel verantwoorden voor hun gelijken in de LOKS.
Enkel de buitensporige voorschrijvers moeten onder monitoring geplaatst worden indien zij hun bijzondere situatie niet kunnen verrechtvaardigen.

printer

Het recht op verdediging

De artsen werken niet alleen harder dan iedereen, ze lopen ook meer dan om het even wie risico op sancties, zowel burgerrechtelijke, strafrechterlijke, vanwege de Orde of opgelegd door de Medische Controle van het RIZIV.
Ze ervaren constante druk vanuit tegenovergestelde richtingen. Sommigen willen dat ze fungeren als politieagent voor hun patiënt wat niet echt hun roeping is.
De geneeskunde is geen exacte wetenschap, de gegevens over éénzelfde onderwerp variëren met de tijd en zitten meestal vol tegenstrijdigheden.
De BVAS kan hier enkel aansporen tot een uiterst nauwkeurige uitoefening van het beroep.
Dit gezegd zijnde is het onaanvaardbaar dat, terwijl ze hun beroep met toewijding, plichtsgevoel en nauwkeurigheid uitvoeren, artsen standvastig het risico lopen te worden vervolgd door de Medische Controle waarvan de werkwijzen vaak arbitrair en de voorrechten buitensporig zijn.
Sinds 15 jaar zien we dat elke programmawet meer macht toekent aan de controleurs van het RIZIV. De BVAS heeft steeds geijverd voor de rechten van de verdediging en zal dit blijven doen. Het is een van haar prioriteiten.

printer

De rol van de nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen en de akkoorden

De Nationale commissie is niet zomaar een plaats van overleg. Zij is exclusief bevoegd voor bepaalde aangelegenheden en heeft een beslissingsbevoegdheid ten aanzien van bepaalde materies.
De paritaire werking weerhoudt de partijen ervan dat de ene zijn wil oplegt aan de andere.
Een akkoord wordt gemaakt in onderling overleg en met wederzijdse toegevingen, maar geen enkele partij doet graag toegevingen.
Nochtans is de Medicomut de enige plaats waar het mogelijk is om vooruitgang te boeken in de realisatie van onze eisen en om proactief oplossingen uit te werken zoals bijvoorbeeld de accreditering.

Sommigen zullen zeggen dat het beter is te proberen onmiddellijk de Minister te overtuigen.
  Dat heet lobbyen. Wij laten niet na de politiek te beïnvloeden in de richting die wij menen de juiste te zijn, maar de Minister heeft de neiging om zijn luisterend oor te leggen bij diegenen die hem in refrein nazingen. Tenslotte is het toch altijd de minister die beslist.
Zolang de Commissie geneesheren-ziekenfondsen beslissingsmacht heeft zal de BVAS het akkoordensysteem blijven verdedigen en zal zij niet toelaten dat de macht van de medicomut wordt verzwakt door verdere opsplitsingen die alleen maar verdeeldheid veroorzaken op de geneesherenbank.
Het is duidelijk dat de balkanisering van de organisaties die aan beroepsverdediging doen nadelig is voor het beroep.
In de beroepsverdediging, is de BVAS de enige die opkomt voor eenheid, standvastigheid en onafhankelijkheid ten aanzien van de politieke macht. Laat ons niet vergeten dat het Kartel werd opgericht tegen de BVAS door en binnen het kabinet van ex-minister van volksgezondheid Colla (SP.a).

printer

De BVAS is de beroepsorganisatie die opkomt voor de belangen van alle artsen


De BVAS heeft altijd onderdak geboden aan alle medische beroepen: huisartsen, specialisten werkzaam in universiteiten of elders, Vlamingen zowel als Franstaligen.
Het Kartel echter wordt gekarakteriseerd door een primaire antispecialistische houding, hoewel in zijn discours enkele voorzichtige pogingen te vinden zijn om dat te verdoezelen.
Onze standpunten zijn de resultante van verschillende meningen die nochtans met elkaar in overeenstemming kunnen worden gebracht omdat we een gemeenschappelijke filosofie delen.
De BVAS stelt zich niet tevreden met alleen maar de verdediging van de belangen van de collega’s met naam en faam. Zij wil de vertegenwoordiger zijn van alle artsen waarbij steeds de belangen van de patiënt als leidraad voor ogen worden gehouden.
Het is een lichte overdrijving wanneer de BVAS het heeft over alle artsen. We nemen immers niet de verdediging op van de belangen van de wijkgezondheidscentra (maisons médicales).
Deze structuren verdedigen zichzelf bijzonder handig. Door de steun die zij genieten van vele politieke bondgenoten vormen zij de stoottroepen tegen de vrije geneeskunde.


1°  De jongeren
1.      De BVAS pleit voor het behoud van een instrument om de instroom in het beroep te regelen. De BVAS luistert tezelfdertijd naar de moeilijkheden die het systeem meebrengt en komt tegemoet aan de reële behoeften op het terrein.
Zij doet alles wat mogelijk is om in consensus tot oplossingen te komen. Studenten en jonge artsen mogen niet het slachtoffer worden van deze regelgeving.
2.      Zoals trouwens gewenst door de UEMO (Union Européenne des Médecins Omnipracticiens) dient de specifieke vorming van de huisarts het equivalent te worden van een opleiding van specialist zodat elke ongelijkheid wordt weggenomen. Het Permanent Comité van Europese Artsen (CPME) heeft de realisatie van deze doelstelling voor zijn rekening genomen.
3.      De BVAS wil dat de financiering van de stagiair in de huisartsgeneeskunde, vandaag ten laste van de stagemeester, wordt betaald door het RIZIV.
4.      De BVAS heeft verkregen dat elke arts, geneesheer-specialist of huisarts, die erkend wordt, automatisch zijn accreditering kan verkrijgen. Door een akkoord tussen de FOD Volksgezondheid en het RIZIV werd de procedure versneld.
5.      De BVAS tracht een oplossing te vinden om toe te laten dat artsen die hun diploma in juni behalen onmiddellijk een betaalde activiteit kunnen aanvatten.
6.      De opleiding van specialist vangt aan nadat het diploma werd behaald terwijl de opleiding in de algemene geneeskunde aanvangt vanaf het 7de studiejaar. Het laatste jaar wordt voor de huisartsen tweemaal in aanmerking genomen.
Dit veroorzaakt een ongelijkheid die nadelig is voor de beroepsuitoefening.
Bovendien verplicht deze maatregel de studenten om vroegtijdig een carrièrekeuze te maken.
7.      De Overheid heeft beslist om een impulsfonds op te richten.
De BVAS verdedigt de lening op erewoord dit wil zeggen tegen een lage rente en zonder hypotheek.
De BVAS wil dat dit fonds in de eerste plaats wordt aangewend voor de installatie in moeilijke gebieden: onveilige delen van grote steden, afgelegen gebieden, landelijke streken.
De BVAS verzet zich tegen het gebruik van deze middelen voor de financiering van medische huizen of voor het opleggen van normen qua uitrusting of van praktijkvoering.
8.      Het eerste jaar is de aansluiting bij de BVAS voor pas afgestudeerden gratis. 

2°  De vrouwen  
Het is duidelijk dat het beroep vervrouwelijkt en dat dit zijn stempel zet.
De vrouwen moeten hun noden kenbaar maken.
De BVAS luistert naar hen.
Om de carrière en de zorg voor het gezin gemakkelijker te kunnen combineren, wil de BVAS 3 extra verlofdagen per jaar inlassen en er voor zorgen dat de werkweek binnen het akkoordensysteem beperkt wordt tot 38 uren per week. Activiteiten die daar buiten vallen zijn supplementair.

3°   De stagemeesters  
De vergoeding die toegekend wordt door het RIZIV dekt de pedagogische activiteit van de stagemeester. Het betaamt niet dat hij deze moet delen met zijn stagiairs.
De BVAS heeft er voor gezorgd dat de stagemeester de activiteit van de stagiair tegen
100 % kan aanrekenen.
Het huisartsenerkenningsbesluit voorziet dat de huisarts in opleiding wachten dient te vervullen maar dat deze moeten worden gesuperviseerd door de stagemeester. Deze moet dus recht hebben op een beschikbaarheidshonorarium.

4°  De stagiairs  
Deze dient door een correct contract beschermd te worden.
Hij dient rechtstreeks een vergoeding te verkrijgen door het RIZIV.
De wachthonoraria moeten hen toekomen, net zoals het beschikbaarheidshonorarium, wanneer ook de stagemeester er een heeft.

5°  De geneesheren aan het einde van hun loopbaan  
Bij het einde van hun carrière genieten de artsen van een verminderde BVAS- bijdrage.
Het recht op werk werd verdedigd bij ex-minister Colla die de artsen bij wet een werkstop wou opleggen op 65 jaar.
Gepensioneerde artsen mogen een beperkte activiteit blijven uitoefenen. De BVAS heeft in de accreditering een “einde loopbaan” regeling doen invoeren die losstaat van de verplichte minimum activiteitsdrempel, zodat deze artsen toch hun accreditering kunnen behouden, mits ze voldoen aan de criteria van continue navorming.

6°  Bevallingen - Langdurige zieken  
Dankzij de BVAS kunnen zwangere en langdurig zieke artsen genieten van een vrijstelling van de minimum activiteitsdrempel voor hun accreditering.

7°  De verworven rechten van de arbeidsgeneesheren zijn beschermd  
Deze specialisatie is voor alle artsen toegankelijk op voorwaarde dat zij verzaken aan een praktijk van huisarts of specialist.
De artsen die de arbeidsgeneeskunde beoefenen kunnen dit blijven doen, maar zonder de titel van specialist te dragen, en deeltijds actief blijven in wat ze voordien deden buiten de arbeidsgeneeskunde.

8°  Het huisartserkenningsbesluit  
Dit besluit stelt dat de huisartsgeneeskunde voorbehouden is aan de erkende huisartsen.
Diegene die het recht hadden de huisartsgeneeskunde uit te oefenen vóór 1 januari 1995 behouden deze rechten ( in het regime 001-002 of 003-004).
De artsen die een praktijk van huisarts of een praktijk buiten de sociale zekerheid aangevat hebben na 1 januari 1995 maar vóór 1 januari 2005 behouden het recht om voorschriften te maken, onderzoeken te verrichten en consultaties te houden. Zij zullen een 009 RIZIV nummer krijgen.
Dit is zeer belangrijk voor - industrieartsen       
                                       - artsen ambtenaren.
Zij die na 1 januari 2005 zijn begonnen hebben geen recht meer om binnen de sociale zekerheid te functioneren. Zij krijgen nog wel een 000 RIZIV- nummer. Ze hebben enkel nog het recht om een geneesmiddelenvoorschrift op te maken.

9°  Militairen  
Met de steun van de BVAS zijn de militaire ziekenhuizen kunnen erkend worden als stageziekenhuis voor de erkenning in de huisartsgeneeskunde.
De militairen voeren prestaties uit die niet aangerekend worden binnen de sociale zekerheid.
De BVAS is van mening dat deze akten in rekening zouden moeten gebracht worden voor de activiteitsdrempel in de context van de accreditering.

10° Preventieve geneeskunde (schoolgeneeskunde, Kind en Gezin, familiale planning, screening, …)
Een arts die voornamelijk activiteiten uitoefent in de preventieve sector kan onder de minimum activiteitendrempel vallen. De BVAS meent dat deze activiteiten ook moeten in aanmerking komen voor de accreditering.

11° Parallelle geneeskunde  
De BVAS heeft nooit de specifieke terugbetaling verdedigd van de parallelle geneeskunde, en zeker niet van homeopathische middelen.
Wij hebben ons verzet tegen de wettelijke erkenning van deze praktijken.
Nochtans is de BVAS van oordeel dat artsen die op een eerlijke manier deze geneeswijzen beoefenen, omdat ze bekwaam zijn te oordelen wanneer ze dergelijke praktijk kunnen toepassen dan wel moeten overschakelen naar wetenschappelijke behandelingen, het recht hebben om hun erkenning te behouden. Dankzij de BVAS sluit het nieuwe huisartsenerkenningsbesluit hen niet expliciet uit van de erkenning tot huisarts .
Andere niet-conventionele praktijken geven minder aanleiding tot problemen omdat zij technieken gebruiken die nuttig kunnen zijn. Zij zijn nochtans gebaseerd op theorieën die niet wetenschappelijk bewezen zijn.
Het doel van de BVAS is om ze niet uit te sluiten (acupunctuur, chiropraxie, osteopathie) maar om hen binnen een bepaald specifiek technisch domein te laten optreden.

12° Algemeen geneeskundigen binnen de ziekenhuizen
Meer en meer doen de ziekenhuizen beroep op algemeen geneeskundigen voor zaalwerk of voor de urgenties op de spoedgevallen.
Deze houding is niet te verwerpen maar het is noodzakelijk om een statuut voor hen uit te werken zodat deze artsen niet gedegradeerd worden tot tweederangsgeneesheren.