Nieuwe adviezen van de Orde
1. Sponsoring van een sportteam door een arts
2. Inhoud medische attesten – arbeidsgeschiktheid onder voorwaarden
3. Afwezigheid van de vermelding van de identiteit van de adviserend arts op een beslissing verzonden aan de patiënt
4. De organisatie van de praktijk met het oog op het goed beheer van telefonische oproepen en berichten van patiënten.
1. Sponsoring van een sportteam door een arts
De nationale raad van de Orde der artsen wordt om advies verzocht over de mogelijkheid voor een arts om een sportteam te sponsoren.
De reden voor dit advies is niet de financiële steun die de arts biedt, maar de tegenprestatie die eruit voortvloeit in zijn voordeel, in dit geval het promoten van zijn beroepsactiviteit.
Volgens de Kwaliteitswet is praktijkinformatie iedere vorm van mededeling die rechtstreeks en specifiek, ongeacht de daartoe aangewende plaats, drager of aangewende technieken, tot doel heeft een gezondheidszorgbeoefenaar te laten kennen of informatie te verstrekken over de aard van zijn beroepspraktijk.
Indien de financiële steun die de arts biedt, bijvoorbeeld aan een sportteam, gepaard gaat met een communicatie die als doel heeft zich kenbaar te maken of informatie te verstrekken over zijn praktijk, moet deze gebeuren in overeenstemming met de deontologische en wettelijke vereisten in verband met de praktijkinformatie (artikel 31, §1, van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg; artikel 37 van de Code van medische deontologie).
Het feit dat het promoten van zijn beroepsactiviteit niet de hoofdreden voor zijn financiële steun is, speelt geen rol in de toepassing van deze regels.
De praktijkinformatie moet, ongeacht de vorm ervan, waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk zijn en ze moet wetenschappelijk onderbouwd zijn.
De verstrekte informatie mag niet misleidend zijn noch aanzetten tot overbodige geneeskundige verstrekkingen.
De arts verzet zich tegen elke vorm van publiciteit over zijn medische activiteit door de gesponsorde persoon of groep die de voornoemde regels niet respecteert.
Niet alleen dient de wet1 nageleefd te worden, ook de eer en de waardigheid van het beroep mogen niet in het gedrang komen.
De beoordeling of de praktijkinformatie in overeenstemming is met de regels van medische deontologie gebeurt geval per geval (artikel 6, 2°, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der artsen).
Bij moeilijkheden staat de Orde klaar voor haar leden om hun vragen te beantwoorden.
1: De publiciteit wordt eveneens geregeld door het Wetboek van economisch recht (art. I.8., VI.94, VI. 95 en VI. 97 à VI. 100) ; de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg (art. 31) ; de wet van 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen ( art. 2, 8°, en 20/1) ; de wet van 25 maart 1964 betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (art. 9, § 1) ; de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (art. 127, § 2).
2. Inhoud medische attesten – arbeidsgeschiktheid onder voorwaarden
De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 15 november 2024 de vraag onderzocht of het opstellen van een getuigschrift van arbeidsgeschiktheid “onder voorwaarden” in overeenstemming is met de beginselen van medische deontologie betreffende het opstellen van medische documenten.
De nationale raad wordt ondervraagd door verschillende werkgevers die attesten ontvangen waarin de arts van de werknemer deze laatste arbeidsgeschikt verklaart mits een aanpassing van de werkomstandigheden plaatsvindt. Voorbeelden zijn de mogelijkheid tot telewerk, een aanpassing van de werkuren, het meer regelmatig kunnen opnemen van pauzes, het verrichten van fysiek lichtere taken, de aanpassing van het materieel, enz. De voorgestelde aanpassingen van de werkomstandigheden vinden plaats buiten het formeel re-integratietraject zoals bepaald in de Codex over het welzijn op het werk (art. I.4-72 e.v.).
Rekening houdend met de maatschappelijke en economische context, zoals de stijging van het aantal werknemers dat arbeidsongeschikt is, de nood aan flexibiliteit van de werkgever en de werknemer en de aandacht voor een betere balans tussen werk en privé, is de nationale raad van oordeel dat de dichotome benadering van arbeidsgeschikt of arbeidsongeschikt niet meer actueel is en het zowel voor de werkgever als voor de werknemer opportuun kan zijn dat de arts voorwaarden verbindt aan de arbeidsgeschiktheid, als alternatief voor de algehele arbeidsongeschiktheid.
Vanuit deontologisch perspectief dient de arts bij het opstellen van dergelijke getuigschriften een voorzichtige houding aan te nemen. De arts moet verantwoord attesteren, rekening houdend met het vertrouwen dat de maatschappij in hem stelt.
Concreet betekent dit dat hij:
- in overleg met de patiënt, nagaat of de voorgestelde aanpassingen in de praktijk uitvoerbaar zijn;
- de arbeidsarts-preventieadviseur betrekt in het proces, mits akkoord van de patiënt;
- de voorgestelde aanpassingen beperkt in de tijd;
- de gezondheidstoestand van de patiënt regelmatig her-evalueert.
Het staat de werkgever vrij om de voorgestelde aanpassingen van de werkomstandigheden al dan niet te aanvaarden.
Ten slotte moet de arts zich ervan vergewissen dat de patiënt zijn rechten en sociale voordelen behoudt indien de werkgever niet akkoord gaat met de voorwaarden tot aanpassing (bv. het behoud van zijn gewaarborgd inkomen). Om deze reden wordt aanbevolen een duidelijke formulering te hanteren.
De nationale raad van de Orde der artsen wordt om advies verzocht over de mogelijkheid voor de adviserend arts van een verzekeringsinstelling om zijn identiteit niet te vermelden op een beslissing.
1. Bij het vervullen van zijn opdrachten zoals bepaald in artikel 153 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (Z.I.V.-wet) neemt de adviserend arts persoonlijk en onafhankelijk zijn beslissing, die bindend is voor de verzekeringsinstelling. Deze beslissing is onderworpen aan de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (Arbeidsrechtbank van Brussel, 27 maart 2014, R.G. 2012/AB/282). De betrokkene beschikt over een rechtsmiddel hiertegen.
De handtekening en de naam van de persoon die de beslissing ondertekent bewijzen dat de beslissing wel degelijk genomen is en de inhoud ervan gevalideerd is door de persoon die bevoegd is om de beslissing te nemen. Dit maakt het ook mogelijk om te controleren of de wettelijke regels nageleefd zijn, bijvoorbeeld onverenigbaarheden of de vereiste dat de persoon die de beslissing neemt degene is die de gezondheidstoestand beoordeeld heeft.
Het ontbreken van de identificatie van de persoon die de beslissing genomen heeft en de eruit voorvloeiende onmogelijkheid om de wettelijkheid ervan na te gaan op verschillende gebieden vormen een inbreuk op de uitoefening van de rechten van verdediging.
2. De federale Commissie « Rechten van de patiënt » heeft eraan herinnerd dat de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt van toepassing is op de controle- en expertisegeneeskunde (advies van 21 juni 2013 betreffende de controle- en expertisegeneeskunde en advies van 30 september 2019 over de relatie patiënt/adviserende artsen van het ziekenfonds).
De identificatie van de gezondheidszorgbeoefenaar zelf en in voorkomend geval van de andere gezondheidszorgbeoefenaars die eveneens bij de verstrekte gezondheidszorg tussenkwamen, moeten opgenomen zijn in het dossier (artikel 33, 3°, van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg).
In haar voornoemde advies van 21 juni 2013 stelt de federale Commissie “Rechten van de patiënt” dat “elke beoordeling van een raadsgeneesheer/controleur/expert, zij het voorlopig, meer bepaald een beoordeling van de mate van ongeschiktheid van een patiënt (of deze ongeschiktheid persoonlijk, op het niveau van het gezinsleven of werk gerelateerd is, of deze ongeschiktheid permanent of tijdelijk, volledig of gedeeltelijk is) deel uitmaakt van het patiëntendossier; ze moet dus toegankelijk zijn voor de patiënt volgens artikel 9 van de wet betreffende de rechten van de patiënt”.
Indien de betrokkene inzage vraagt in zijn dossier op grond van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt zal deze bijgevolg kennis krijgen van de naam van de adviserend arts die zijn medische situatie beoordeeld heeft.
3. Bovendien kan de betrokkene zich beroepen op de Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (Algemene Verordening Gegevensbescherming - AVG) om de identiteit van de adviserend arts te kennen.
Tot besluit meent de nationale raad dat de naam van de adviserend arts van de verzekeringsinstelling vermeld moet staan op de aan de betrokkene meegedeelde beslissing, die genomen is overeenkomstig artikel 153 van de Z.I.V.-wet.
De nationale raad van de Orde der artsen wordt ondervraagd over de mentale overbelasting veroorzaakt door het beheren van de berichten en telefonische oproepen van patiënten.
Vaak zeggen confraters stress te ondervinden door de vrees belangrijke informatie niet juist te verwerken omdat ze verloren gaat in de massa berichten en telefoonoproepen die bovenop hun raadplegingen komen.
Een goede organisatie van de medische praktijk, met inbegrip van de communicatie tussen de arts en zijn patiënten, bevordert de kwaliteit en de veiligheid van de zorg maar ook het welzijn van de arts.
1. Het feit de communicatiekanalen te beperken, helpt de informatiestroom te beheersen. De arts bepaalt zelf langs welke kanalen zijn patiënten hem kunnen contacteren.
De specifieke technische kenmerken van de communicatiemiddelen moeten niet alleen de toegang tot de zorg en de continuïteit ervan mogelijk maken maar ook de veiligheid van de gegevens en de kwaliteit van de uitwisselingen.
De website eHealth geeft informatie over platformen aanbevolen voor de uitwisseling van berichten en bestanden, zoals siilo of helena (https://www.ehealth.fgov.be/nl/page/task-force-data-technology-against-c... ).
Voor uitwisselingen met confraters biedt het intranet van de website van de Orde der artsen (www.ordomedic.be, onderdeel ”aanmelden”) aan elke arts ingeschreven op de lijst een persoonlijke beveiligde berichtenbox (Transferbox). Hiermee kunnen documenten en berichten naar confraters worden gestuurd via een beveiligde en end – to - end gecodeerde verbinding. Deze module biedt de mogelijkheid berichten te sturen met een maximumcapaciteit van 250 MB. De individuele opslagcapaciteit is begrensd op 2 GB.
2. Het doel van de communicatiemiddelen moet duidelijk zijn. Zo nodig worden patiënten eraan herinnerd dat die communicatiemiddelen niet bedoeld zijn om een raadpleging te vervangen of een te lang geachte wachttijd te omzeilen voor persoonlijk gemak.
De arts licht zijn patiënten duidelijk in over zijn bereikbaarheid en de manier waarop hij de continuïteit van de zorg invult. Bij afwezigheid dient een bericht de patiënt door te verwijzen naar een confrater of een dienst die de continuïteit van de zorg verzekerd. Het is raadzaam een mondelinge of schriftelijke waarschuwing “niet in noodgevallen” te plaatsen naast de communicatiemiddelen die niet bedoeld zijn voor een dringende vraag.
Indien de arts dit gepast vindt, kan hij ook aangeven langs welk kanaal hij kan worden gecontacteerd om een voorschrift te vernieuwen, een administratieve vraag te stellen, een afspraak af te zeggen, enz.
Om misverstanden en ontevredenheid te vermijden kan het nuttig zijn de antwoordtijden te vermelden, vooral in het weekend en tijdens de vakantie, via een automatisch of vooraf opgenomen bericht.
Het kan nodig zijn de patiënten bewust te maken van de veiligheidsregels die in acht moeten worden genomen bij het uitwisselen van gevoelige informatie of documenten, in het bijzonder de noodzaak hem te identificeren. Via gewone e-mail mogen geen medische gegevens worden uitgewisseld.
Al deze informatie kan worden gegeven via een vooraf ingesproken bericht of automatisch antwoord, een waarschuwing op de website, een affiche in het kabinet, wanneer de afspraak wordt bevestigd, enz.
3. Er dient een evenwicht te worden gevonden tussen de beschikbaarheid voor interactie en beschikbaarheid voor raadplegingen, die sereen moet verlopen met zo weinig mogelijk afleiding en onderbreking.
Tijdvensters reserveren specifiek gewijd aan het beantwoorden van gesproken en elektronische berichten bevordert de concentratie die nodig is voor elke taak.
4. Tot slot kan de ontwikkeling van openbare of private diensten die toegankelijk zijn via het internet ook rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot het structureren van de contacten tussen de arts en zijn patiënten.
De patiënt wordt aangemoedigd om zijn gegevens rechtstreeks via regionale uitwisselingsnetwerken te raadplegen (CoZo / Collaboratief Zorgplatform, Abrumet / Réseau Santé Bruxellois, RSW / Réseau Santé Wallon).
Een onlinesysteem voor het maken van afspraken, met de mogelijkheid voor de patiënten beschikbare tijdvensters te kiezen, vermindert het aantal telefoonoproepen.
5. Het is aangeraden om in het patiëntendossier de belangrijke gesprekken die buiten de raadpleging worden gevoerd bij te houden.