Nieuwe adviezen van de Orde
1. Samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de ziekenhuizen, de huisartsenwachtposten en de artsenpraktijken - Algemene beginselen
2. Onderzoek naar de lichamelijke geschiktheid van een verzekerde – rol van de arts gemandateerd door de verzekeringsonderneming in het kader van de wet private opsporing
3. De aandacht voor zorg in de gevangenis – De behandeling van hepatitis C
4. Medische controles via telegeneeskunde
5. De publicatie door een arts van verhalen op basis van situaties die patiënten hebben meegemaakt, voor niet-wetenschappelijke doeleinden
De nationale raad van de Orde der artsen heeft het advies betreffende de samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de ziekenhuizen uitgebreid met de huisartsenwachtposten en andere artsenpraktijken.
Binnen de context van het ziekenhuisgebeuren, de wachtposten en de artsenpraktijken, hebben artsen een andere finaliteit dan politiediensten en parketten. Waar de taak van eerstgenoemden tot doel heeft kwaliteitsvolle zorg te verstrekken aan iedere patiënt die zich aanbiedt, hebben laatstgenoemden de taak de veiligheid van de maatschappij te waarborgen en objectieve vaststellingen te doen om naderhand de waarheidsvinding van de rechter te faciliteren.
Toch komen beiden geregeld met elkaar in aanraking en dwingt de situatie hen om samen te werken, niettegenstaande hun vaak tegenstrijdige doelen en normen. Zo is de arts gehouden tot het beroepsgeheim, terwijl de politie, in de context van een onderzoek, net zo veel mogelijk informatie van een potentiële dader of een slachtoffer poogt te verzamelen. Ook andere fundamentele rechten, zoals het recht op zorg en het recht van verdediging, blijven van toepassing.
Het voorziene wettelijke kader is soms onvoldoende gekend, zowel bij de artsen als de politiediensten, of schept niet genoeg duidelijkheid over hoe beide actoren in een specifieke situatie moeten handelen. In sommige regio's hebben de ziekenhuizen, de huisartsenkringen, de politie en het openbaar ministerie een samenwerkingsprotocol opgesteld, dat een aantal afspraken vastlegt over hoe de interactie tussen hen moet verlopen met het oog op maximale efficiëntie en effectiviteit van beide diensten.
Dergelijke samenwerkingsprotocollen bevorderen een vlotte samenwerking tussen de verschillende actoren op het terrein en bieden een antwoord op een aantal specifieke situaties. Het risico bestaat er evenwel in dat iedere regio andere afspraken maakt of dat afspraken worden gemaakt die tegenstrijdig zijn met de bestaande wetgeving of de medische deontologie.
Om dit te voorkomen, geeft de nationale raad in volgend advies een overzicht van welke deontologische beginselen de arts in acht moet nemen in een bijzondere situatie, met respect voor het recht op privacy, het beroepsgeheim, de toegang tot de zorg, de kwaliteit van de zorg, de veiligheid van de patiënt, de menselijke waardigheid en de autonomie van de patiënt.
Het volledige advies kan u hier raadplegen.
terug
2. Onderzoek naar de lichamelijke geschiktheid van een verzekerde – rol van de arts gemandateerd door de verzekeringsonderneming in het kader van de wet private opsporing
De nationale raad van de Orde der artsen heeft de rol onderzocht van de controlearts die door een verzekeringsonderneming wordt aangesteld bij vermoeden dat de gezondheidstoestand beweerd door de verzekerde niet overeenstemt met de werkelijkheid.
1. De wet van 18 mei 2024 tot regeling van de private opsporing verbiedt de onderzoeker gegevens over de gezondheid van de betrokkene in te winnen of aan de opdrachtgever bekend te maken (art. 57, wet private opsporing).
Ze voorziet echter in een uitzondering op dit verbod wanneer de opdrachtgever van de onderzoeker een verzekeringsonderneming is die vermoedt dat de door de betrokkene beweerde gezondheidstoestand niet overeenstemt met de realiteit. Deze uitzondering dient strikt geïnterpreteerd te worden en is onderworpen aan dwingende voorwaarden (art. 60, wet private opsporing).
Een van deze voorwaarden is de vereiste van een schriftelijke vraag van een door de opdrachtgever aangestelde controlearts die de betrokkene heeft onderzocht of die deze driemaal heeft opgeroepen voor een onderzoek zonder dat de betrokkene hieraan gevolg heeft gegeven (art. 60, 3°, wet private opsporing).
2. De Code van medische deontologie stelt dat de arts met een deskundige, adviserende of controlerende opdracht deze uitvoert volgens de wettelijke regels, de deontologische principes, met respect voor de patiënt en met inachtneming van de beperkingen eigen aan zijn opdracht en functie (art. 43, Code van medische deontologie).
De rol van arts aangesteld door een verzekeringsonderneming is de fysieke geschiktheid van de verzekerde te onderzoeken en niet fraude te bestrijden.
Hij moet objectief en nauwkeurig te werk gaan en zich beperken tot de medische overwegingen.
Indien hij vermoedt dat de gezondheidstoestand beweerd door de betrokkene niet overeenstemt met de werkelijkheid, geeft hij zijn medische bevindingen objectief weer in zijn expertiseverslag dat voor alle partijen toegankelijk is en onderworpen aan tegenspraak.
De arts moet zich bewust zijn van de gevolgen van zijn verklaringen en dus voorzichtig en bedachtzaam handelen.
3. Het is aan de dossierbeheerder van de verzekeringsonderneming om, op basis van het verslag van de controlearts, te beslissen of het wenselijk is een privédetective in te schakelen.
Deze laatste kan enkel belast worden met het nagaan van de activiteiten en de gedragingen van de betrokkene die het vermoeden van simulatie kunnen staven. Het onderzoek mag geen directe (welke ziekte of welk letsel heeft betrokkene?) maar uitsluitend indirecte informatie (welke activiteiten verricht de betrokkene?) opleveren. (Parl. St. , Kamer, 55-3935/001, p. 49).
Opdat deze opdracht wettelijk zou zijn, moet de gezochte informatie noodzakelijk zijn hetzij voor het beheer van de rechtsgeschillen van de verzekeringsonderneming, hetzij om te voldoen aan een wettelijke verplichting.
4. De wet vereist bovendien dat de controlearts aangesteld door de verzekeringsonderneming, en die de betrokkene onderzocht heeft of hem driemaal heeft opgeroepen voor een onderzoek zonder dat deze hieraan gevolg heeft gegeven, de opdracht steunt onder de vorm van een schriftelijke vraag.
De controlearts is verantwoordelijk voor zijn beslissing en neemt deze in volledige onafhankelijk. Hij is vrij te weigeren indien hij vaststelt dat de voorwaarden zoals bepaald in artikel 60 van de wet private opsporing niet zijn vervuld. Dit is in het bijzonder het geval wanneer hij meent dat de gezondheidstoestand van de betrokkene overeenstemt met de realiteit (en er dus geen vermoeden van simulatie is), wanneer het voorwerp van de opdracht de wet overschrijdt of wanneer het onderzoek geen nuttige elementen kan aanbrengen voor de uitoefening van zijn opdracht.
Het vermoeden van simulatie moet gestaafd worden door een reeks elementen zoals het gebrek aan objectivering van de klachten, de inconsequentheid van de symptomen, de tegenstrijdigheden, enz.
De arts mag geen enkele inlichting gedekt door het medisch geheim aan de detective geven.
De resultaten van het privéonderzoek worden door de verzekeringsonderneming enkel meegedeeld aan de controlearts.
terug
3. De aandacht voor zorg in de gevangenis – De behandeling van hepatitis C
De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 21 februari 2025 de problematiek onderzocht met betrekking tot het gebrek aan behandeling van hepatitis C bij gedetineerden die voor een korte periode in de gevangenis verblijven.
Op heden wordt de behandeling van hepatitis C bij een gedetineerde slechts opgestart wanneer hij minimaal drie maanden in de gevangenis verblijft.
De keuze om uitsluitend gedetineerden te behandelen die gedurende het volledige behandeltraject in de gevangenis verblijven, is gebaseerd op een tekort aan middelen, de veronderstelling dat de behandeling na vrijlating niet wordt voortgezet en de niet-dringende aard van de pathologie.
Het onderscheid in behandeling naargelang de duur van de detentieperiode is vanuit deontologisch oogpunt onverdedigbaar. Overeenkomstig de Code van medische deontologie verzorgt de arts alle patiënten even gewetensvol en zonder discriminatie.1
Een verantwoord beheer van de middelen van de gemeenschap mag er niet toe leiden dat een bepaalde bevolkingsgroep geen toegang krijgt tot gezondheidszorg, te meer omdat de behandeling zeer toegankelijk is.
De behandeling van elke gedetineerde sluit bovendien aan bij de mondiale hepatitisstrategie van de Wereldgezondheidsorganisatie, die door België werd goedgekeurd en tot doel heeft het aantal nieuwe hepatitisinfecties tussen 2016 en 2030 met negentig procent te verminderen.3
Het behandelen van zoveel mogelijk gedetineerden is niet alleen van belang voor de gezondheid van de gedetineerde zelf, maar ook voor de samenleving. Een onbehandelde gedetineerde kan immers na vrijlating anderen besmetten buiten de gevangenismuren.
De gevangenisarts heeft de taak mee in te staan voor gezondheidspreventie, - bescherming en promotie.3 Vroegtijdig testen en informeren over de besmettingsrisico’s maken deel uit van een zorgvuldig hepatitisbeleid.
Ten slotte is het ongerijmd om vooraf te veronderstellen dat de gedetineerde de behandeling na vrijlating niet zal voortzetten. De gevangenisarts speelt hierin een cruciale rol: hij moet de gedetineerde informeren over de risico's van de aandoening en, met het oog op de zorgcontinuïteit, de patiënt overtuigen de behandeling voort te zetten en hem of haar informeren over de centra die kunnen instaan voor de verdere zorg.
1: Art. 30, lid 3, Code van medische deontologie.
2: Elimination of hepatitis by 2030.
3: Art. 5, Code van medische deontologie.
terug
4. Medische controles via telegeneeskunde
De nationale raad onderzocht of het vanuit deontologisch oogpunt is toegelaten dat een medische controle gebeurt via telegeneeskunde.
Onderstaand advies betreft de medische controles op zowel de werknemers die zich tijdens hun ziekte bevinden in België als deze in het buitenland.
Sinds de gewijzigde wetgeving1 betreffende het recht van de werknemer op het behoud van zijn vakantiedagen die samenvallen met ziekte, is er een stijging naar de vraag voor het verrichten van medische controles via telegeneeskunde, omdat de werknemer zich tijdens zijn jaarlijkse vakantie vaak bevindt in het buitenland.
Hoewel de werkgever zijn recht op controle behoudt2, blijkt het in de praktijk moeilijk te zijn om deze controle in het buitenland te organiseren.
Het advies van de nationale raad aangaande de deontologische regels voor teleconsultatie3 bepaalt onder meer dat de arts over voldoende relevante en betrouwbare gegevens van de patiënt moet beschikken om een medisch verantwoord advies te kunnen geven via telegeneeskunde. Deze vereiste kan niet worden ingevuld bij een controleopdracht omdat de controlearts geen inzage mag nemen in het patiëntendossier, omwille van het gebrek aan een therapeutische relatie met de patiënt4.
Bijgevolg kan bezwaarlijk een kwaliteitsvolle telecontrole worden gerealiseerd en volgt uit de aard van de opdracht dat telegeneeskunde in de regel geen geschikte methode is voor het verrichten van medische controles.
Uitzonderlijk kan van deze regel worden afgeweken, met name:
Wanneer objectieve medische elementen de controle via telegeneeskunde mogelijk maken (te denken valt aan de interpretatie van een bloedonderzoek, een operatieverslag of medische beeldvorming);
Wanneer het mogelijk is contact op te nemen met de behandelend arts, mits toestemming van de patiënt, en deze de noodzakelijke toelichting kan verstrekken bij de arbeidsongeschiktheid.
Binnen het specialisme van de controlegeneeskunde is het aangewezen wetenschappelijke krijtlijnen vast te leggen in welke gevallen medische controles kwalitatief kunnen gebeuren via telegeneeskunde.
1: Wet van 17 juli 2023 tot wijziging van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen met betrekking tot de samenloop van jaarlijkse vakantie en arbeidsongeschiktheid.
2: Zie ook advies van de nationale raad van 10 juni 2023, “Deontologische regels bij het attesteren van een arbeidsongeschiktheid tijdens of na een vakantie in het buitenland”.
3: Advies van de nationale raad van 18 juni 2022, “Teleconsultaties in het huidige zorglandschap – deontologische regels”.
4: therapeutische-relatie-en-zorgrelatie-nota.pdf.
terug
5. De publicatie door een arts van verhalen op basis van situaties die patiënten hebben meegemaakt, voor niet-wetenschappelijke doeleinden
Dit advies geldt ongeacht de vorm, de wijze van verspreiding en de drager (papier, video- of audio-opname) die hiervoor wordt gebruikt.
Een patiënt neemt zijn arts in vertrouwen omdat de kwaliteit van de zorg ervan afhangt en omdat hij kan rekenen op vertrouwelijkheid en respect.
Als een patiënt dan later in een verhaal wordt opgevoerd, in een context die volledig losstaat van de zorg, wordt hij eigenlijk gebruikt voor een doel waarmee hij niets te maken heeft.
Het delen van een ervaring uit de praktijk kan gunstig zijn vanuit collectief standpunt maar de wijze waarop de arts de feiten beschrijft, kan een impact hebben op de betrokken individuen en gevolgen hebben voor het vertrouwen van de bevolking in de artsen.
Een arts kan geen vrij gebruik maken van wat hij verneemt tijdens of bij gelegenheid van de uitoefening van zijn beroep. Hij moet de afweging maken tussen zijn rechten, waaronder zijn vrijheid van meningsuiting, en zijn verplichtingen. Zijn status van noodzakelijke vertrouwenspersoon brengt mee dat hij wettelijk verplicht is het beroepsgeheim te bewaren, dat niet eindigt na het overlijden van de patiënt. Patiënten hebben recht op bescherming van hun privacy en persoonlijke gezondheidsgegevens buiten de zorgrelatie.
Respect voor de menselijke waardigheid van de patiënt is wettelijk vastgelegd (artikel 5, 2de lid, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt). Ook op deontologisch gebied is respect noodzakelijk, zelfs al kan de patiënt niet worden geïdentificeerd.
De eerste plicht van de arts is te handelen in het belang van de gezondheid van de patiënt. Hij mag de impact op het welzijn van de patiënt niet onderschatten wanneer deze zichzelf herkent en ontdekt hoe zijn medische situatie, die voor hem een bron van lijden en angst is, wordt beschreven door de arts in wie hij zijn vertrouwen heeft gesteld.
Respect voor de menselijke waardigheid en respect voor het medisch beroepsgeheim beschermen het individu, maar zijn ook essentieel op collectief niveau om de toegang tot de zorg te waarborgen. Angst voor indiscretie of kwetsende uitlatingen vormt een belemmering voor de zorg.
De arts laat zich leiden door de medische ethiek en de Code van medische deontologie en gaat voorzichtig en verstandig te werk om de eer of de waardigheid van het beroep niet te schaden door zijn publicaties.