Kaderwet I: wat verandert er voor artsen?

22.06.2026

Kaderwet I werd op 5 juni gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Met Kaderwet I wordt het bestaande evenwicht binnen de gezondheidszorg grondig hertekend.Hieronder zetten we alvast de belangrijkste gevolgen voor artsen nog eens beknopt op een rij.

  1. De begrotingsprocedure voor de opmaak van het gezondheidszorgbudget beheerd door het RIZIV wordt aangepast.
    Zo wordt de opdrachtbrief van de minister van Volksgezondheid - met daarin het budgettaire kader en de beleidsprioriteiten - formeel ingeschreven als onderdeel van de procedure richting het Verzekeringscomité. Ook de correctiemechanismen bij (een risico op) niet-gerechtvaardigde overschrijdingen van partiële en globale begrotingsdoelstellingen worden aangepast. De akkoordencommissies zullen voortaan tegen 30 juni voorstellen van besparingsmaatregelen moeten voorleggen aan de Algemene Raad en het Verzekeringscomité. Indien dit niet tijdig gebeurt, zal de regering zelf besparingsvoorstellen formuleren via de opdrachtbrief. Vorige zomer maakte de regering reeds een eerste opdrachtbrief over aan het RIZIV, hoewel de regelgeving toen nog niet in werking was getreden.

     
  2. Vertegenwoordigers van de deelstaten zullen voortaan met raadgevende stem kunnen zetelen in zowel de Algemene Raad als het Verzekeringscomité van het RIZIV.
     
  3. Ook het conventiesysteem wordt hervormd.
    Zo wordt de procedure voor het sluiten van akkoorden binnen de akkoordencommissies geharmoniseerd. Daarnaast zal ook de overeenkomst ziekenhuizen-verzekeringsinstellingen voortaan als een akkoord worden beschouwd. Aanvankelijk voorzag het wetsontwerp dat partiële conventionering voor artsen en tandartsen niet langer mogelijk zou zijn. Die bepaling werd echter in een latere versie geschrapt. Partiële conventionering blijft dus mogelijk voor artsen en tandartsen. Wel verdwijnt de regel waarbij de terugbetaling voor patiënten bij niet-geconventioneerde kinesisten, logopedisten en vroedvrouwen met 25% wordt verminderd.

     
  4. Er worden daarnaast enkele maatregelen ingevoerd om conventionering aan te moedigen.
    Zo worden bepaalde premies gekoppeld aan de conventiestatus en zullen richttarieven - tijdelijke maximumtarieven die in een akkoord voor bepaalde honoraria worden vastgelegd - enkel kunnen worden toegepast door geconventioneerde zorgverleners. Deze bepalingen inzake het conventiesysteem treden in werking voor akkoorden die van toepassing zijn vanaf 1 januari 2028. Ook de financiering van representatieve beroepsorganisaties wordt hertekend. Die zal voortaan bestaan uit een basisbedrag en een aanvullend bedrag dat afhankelijk is van het aantal zorgverleners binnen de sector dat toetreedt tot de akkoorden of conventies. Dat aanvullende bedrag bedraagt 15% van de totale tegemoetkoming. Voor de representatieve artsenorganisaties gelden deze bepalingen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de medische verkiezingen van 2028.

     
  5. De Kaderwet beoogt ook in te grijpen op de ereloonsupplementen.
    Oorspronkelijk bevatte het wetsontwerp een maximumplafond van 125% in ziekenhuizen en 25% ambulant, maar deze percentages werden uiteindelijk geschrapt wegens hun samenhang met de hervorming van de nomenclatuur en de hervorming van de ziekenhuisfinanciering. De Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen (NCAZ) of Medicmut moet tegen 31 juli 2027 zelf een voorstel uitwerken over de maximale ereloonsupplementen. Indien daar geen akkoord over wordt bereikt, zal de regering zelf maximumsupplementen opleggen “met het oog op het waarborgen van een financieel toegankelijke gezondheidszorg en het beperken van excessen in het aanrekenen van bedragen aan rechthebbenden”.

    De regeling zal in werking treden op 1 januari 2028, met de mogelijkheid voor de ministerraad om die datum uit te stellen tot uiterlijk 1 januari 2029. Een vroegere datum van inwerkingtreding is niet langer mogelijk. Wel wordt nog steeds voorzien in de mogelijkheid om het bedrag waarop een supplement mag worden aangerekend te beperken.

Voor een aantal bepalingen wordt de inwerkingtreding expliciet vastgelegd op 1 januari 2026. Voor andere onderdelen geldt een uitgestelde datum van inwerkingtreding:

  • Voor de bepalingen inzake de procedures voor het sluiten, wijzigen en opzeggen van akkoorden binnen het RIZIV is de inwerkingtreding voorzien op 1 juli 2027, met toepassing op akkoorden vanaf 1 januari 2028.
  • De bepalingen inzake de maximumplafonds op ereloonsupplementen treden ten vroegste pas in werking op 1 januari 2028, met mogelijkheid tot uitstel tot uiterlijk 1 januari 2029.
  • Voor de overige bepalingen waarvoor geen specifieke datum van inwerkingtreding is voorzien, geldt het algemene principe dat zij in werking treden tien dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad, dus op 15 juni 2026.

 

U kan de Kaderwet I (BS 05.06.2026) hier raadplegen.

 
Deel dit bericht: 
Deel dit bericht